Als kind kreeg ik al een bril. Op school kon ik het bord niet goed lezen.
‘Slecht zien zit in de familie,’ werd er gezegd. Aan mijn vaders kant droeg bijna iedereen een bril. Punt. Niks aan te doen.
In mijn puberteit stapte ik over op lenzen. Dat stond mooier, dacht ik. Maar wat een ellende was dat. Regelmatig zat er “een vuiltje achter”, begonnen mijn ogen te tranen en moest ik ze er wéér uit halen. Uiteindelijk greep ik vaak terug naar mijn bril. Die deed ten minste geen pijn.
Rond mijn twintigste leende ik een boekje dat me aan het denken zette: het boek van dokter Bates. Hij schreef dat perfect zien zonder bril mogelijk is en dat ontspanning de sleutel is. Ik vond het fascinerend… maar legde het ook weer naast me neer. Het zaadje was geplant, maar ik was er nog niet klaar voor.
Ik leefde mijn leven: veel reizen, allerlei baantjes in binnen- en buitenland en uiteindelijk een opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige.







